δι-ίημι 1. doorlaten, door ... laten gaan; met acc.: διέντας αὐτοὺς ἐφ’ ὑμᾶς door hen vrije doortocht te geven naar ons Dem. 18.213; overdr., met acc. en gen.: συμφορὰς τοῦ σοῦ διῆκας στόματος jij hebt rampspoed uit je mond laten komen Soph. OC 963; geneesk. abs. (door)drenken: ἐν ὄξει ... διέντα als men (gerst) in azijn heeft gedrenkt Hp. Acut. 21; ook med.: ὄξει διέμενος in azijn gedrenkt hebbend Aristoph. Pl. 720. 2. door ... schieten, door ... heen laten gaan: διὰ δ’ ἧκε σιδήρου hij schoot (de pijl) door het ijzer Od. 21.328 (tmes.); ξίφος λαιμῶν διῆκε hij stak het zwaard door zijn hals Eur. Phoen. 1092. 3. uiteen laten gaan, weg laten gaan: Παυσανίας μὲν διῆκε τὸ στράτευμα Pausanias ontbond het leger Xen. Hell. 2.4.39; perf. pass.: Λυσίμαχος ... διειμένος ἀπηγγέλλετο er werd bericht dat Lysimachus vrijgelaten was Plut. Demetr. 39.6.