πέττω, Ion. πέσσω, ander praes. πέπτω, aor. ἔπεψα, pass. ἐπέφθην; perf. med.-pass. πέπεμμαι; fut. πέψω 1. doen rijpen: τὰ μὲν φύει, ἄλλα δὲ πέσσει (de westenwind) laat het ene groeien en het andere rijpen Od. 7.119. 2. gaar maken, koken, bakken: ἡ δὲ γυνή ... τὰ σιτία σφι ἔπεσσε de vrouw kookte het eten voor hen Hdt. 8.137.2; ἄρτος εὖ πεπεμμένος een goed gebakken brood Aristoph. Pl. 1136. 3. geneesk. verteren: αἱ δὲ τοιαῦται κοιλίαι ... βραδύτερον πέσσουσι dergelijke buiken hebben een langzamere spijsvertering Hp. VM 11; med.: πέσσεται νοῦσος de ziekte komt tot rijping (d.w.z. tot een crisis)Hp. Acut. 42; overdr.: χόλον ... πέσσει hij broedt op zijn woede Il. 4.513; ἐν αὑτῷ δὲ πέψαι τὴν ὀργὴν χρόνου δεῖται er is tijd voor nodig om je woede bij jezelf te verteren Aristot. EN 1126a24; overdr. genieten van: ἀλλ’ ὥς τις τούτων γε βέλος καὶ οἴκοθι πέσσῃ maar zodat menigeen van hen ook thuis nog van zijn verwonding kan genieten (sarcastisch) Il. 8.513; γέρα πεσσέμεν genieten van de geschenken Il. 2.237.