ἔρυμαι, ook ῥύομαι en ῥῦμαι, imperf. ep. 2 sing. ἔρυσο, iter. ῥύσκευ, 3 sing. ἔρυτο, ἐ(ρ)ρύετο en ῥύετο, 3 plur. ῥύοντο en ῥύατο, opt. Ion. 3 plur. ῥυοίατο, inf. ἔρυσθαι en ῥῦσθαι; aor. ἐρρυσάμην, ep. ook ἐρυσάμην, εἰρυσ(σ)άμην en ῥυσάμην, opt. 3 sing. ῥύσαιτο, ep. ook ἐρύσαιτο en εἰρύσσαιτο, inf. ῥύσασθαι en ep. εἰρύσσασθαι; perf. εἴρυμαι, 3 plur. εἰρύαται, plqperf. 3 sing. εἴρυτο, 3 plur. εἴρυντο en εἰρύατο, inf. εἴρυσθαι; fut. ῥύσομαι, ep. ook ἐρύομαι en ἐρύσσομαι, 1 plur. ep. εἰρυόμεσθα, 3 plur. ep. εἰρύσσονται 1. afweren, tegenhouden: ἣ δ’ οὐκ ἔγχος ἔρυτο maar dat (schild) hield de speer niet tegen Il. 5.538; met acc. en gen.: ῥῦσαι ... πᾶν μίασμα τοῦ τεθνηκότος weer elke bezoedeling van de dode af Soph. OT 313; in toom houden: μὴ … κραδίῃ χόλον οὐκ ἐρύσαιτο zodat hij zijn woede niet binnen zou kunnen houden Il. 24.584. 2. afschermen, bedekken: ὡς ῥύσαιτο ... μήδεα φωτός zodat hij zijn edele delen kon bedekken (met een tak met bladeren)Od. 6.129; beschermen, verdedigen: Νέστορος υἱὸν ἔρυτο hij beschermde de zoon van Nestor Il. 13.555; τὴν ... ἀκρόπολιν ἐρρύετο αὐτός hij zelf verdedigde de burcht Hdt. 5.100. 3. redden: σὲ Ζεὺς ἐρρύσατο Zeus redde jou Il. 20.194; redden (van), behoeden (voor), met acc. en gen.: εἴ τίς μιν δαιμόνων ῥύσεται τοῦ μὴ ζῶντα κατακαυθῆναι of een van de goden hem ervoor zou behoeden dat hij levend verbrand werd Hdt. 1.86.2; πολέμου ... ῥύσασθαι Ἑλλάδα Griekenland redden van de oorlog Aristoph. Lys. 342; met acc. en prep. bep.: ῥύσασθε Ἴωνας ἐκ δουλοσύνης red de Ioniërs uit de slavernij Hdt. 5.49.3; met adv.: τὸν μὲν ἐγὼν ἔνθεν ῥυσάμην ik redde hem daarvandaan Il. 15.29; met inf.: ὃν θανεῖν ἐρρυσάμην die ik voor de dood heb behoed Eur. Alc. 11; τοῦτό σε ῥύσεται μηδένα ἄξιον μισθὸν λαβεῖν dat zal je ervoor behoeden dat je je verdiende loon krijgt Hdt. 7.11.1. 4. bewaken, letten op: εἴρυσθαι ἄκοιτιν toezicht houden op zijn echtgenote Od. 3.268; σταθμὸν δὲ κύνες … ῥύατ’ de honden bewaakten de hoeve Od. 17.200; ἔτι μ’ … εἰρύαται οἴκαδ’ ἰόντα; houden ze (de vrijers) me nog in de gaten terwijl ik naar huis ga? Od. 16.463; abs. de wacht houden, wonen: ἡ δ’ ἔρυτ’ εἰν Ἀρίμοισιν zij woonde in Arima Hes. Th. 304; overdr. in acht nemen, in gedachten houden: χρὴ μὲν σφωίτερον ... ἔπος εἰρύσσασθαι een opdracht van u beiden moet men in acht nemen Il. 1.216; ἀνὴρ … κεν οὔ τι Διὸς νόον εἰρύσσαιτο een man zou het plan van Zeus niet kunnen bevatten Il. 8.143; abs.: μηδὲ φρεσὶν εἰρύσσαιτο en (als) hij niet zou nadenken Od. 16.459.