γείνασθαι [~ γίγνομαι] alleen aor. ἐγεινάμην, Aeol. 3 sing. γέννατο, met acc., causat. voortbrengen, verwekken; van de vader: αὐτὸς ἐγείναο παῖδ’ ἀίδηλον je hebt dat destructieve kind zelf verwekt Il. 5.880; meestal van de moeder: θεὰ δέ σε γείνατο μήτηρ en een godin heeft je voortgebracht Il. 1.280; subst.: οἱ γεινάμενοι de ouders Hdt. 1.120; uitbr.: ἐγείνατο μόρον αὑτῷ hij bracht zijn eigen doodslot voort (nl. de zoon die hem zou doden)Aeschl. Sept. 751 (lyr.); overdr. van Zeus: οὐκ ἐλεαίρεις ἄνδρας, ἐπὴν δὴ γείνεαι αὐτός je hebt geen medelijden met de mensen, waar je ze nota bene zelf hebt voortgebracht Od. 20.202.