θροῦς -οῦ, zonder contr. θρόος -όου, ὁ [~ θρέομαι] 1. geluid van stemmen, rumoer: οὐ γὰρ πάντων ἦεν ὁμὸς θρόος het geschreeuw van allen klonk niet eenstemmig Il. 4.437; αἰσθόμενοι ... τὸν θροῦν toen zij van het rumoer hoorden Thuc. 8.79.1. 2. gerucht: ὡς ὁ θροῦς διῆλθε τῆς ἐμῆς συμφορᾶς toen het gerucht over mijn ongeluk zich had verbreid Xen. Cyr. 6.1.37; θροῦς διῆλθε ... ὡς het gerucht verspreidde zich dat Plut. Galb. 26.1.