exulo
exŭlo, āre, v. exsulo.
exulo etc., s. ex-suloetc.
See: exulare
exŭlō, exultō, v. exsulo, exsulto.
- 1. verbannen zijn, in ballingschap leven; in het buitenland leven; ➤ exulatum (ab)ire;
- 2. (Mel.) een buitenlandse reis maken.
exulō see exsulo.