ἐπ-ᾴττω, Ion. ἐπαΐσσω en ἐπᾴσσω, ep. aor. iter. ἐπαΐξασκε, op ... afstormen, met gen.: ἵππων ἐπαΐξαι op de paarden afstormen Il. 5.263; met dat.: Κίρκῃ ἐπαΐξαι op Circe afspringen Od. 10.295; met acc.: ἐπαΐξας ... ἵππους op de paarden aflopend Il. 5.323; ook med.: ἐπαΐξασθαι ἄεθλον op de prijs toesnellen Il. 23.773; abs. snel bewegen: ἐπαΐξας ... ἐκ νεφελάων (van de wind)tevoorschijn schietend uit de wolken Il. 2.146; met acc. resp.: πᾷ πόδ’ ἐπᾴξας; waarheen snellend? Eur. Hec. 1071.