ἦρ ἦρος, τό, zonder contr. ἔαρ -αρος, poët. ook gen. εἴαρος, dat. εἴαρι, lente, voorjaar: ἔαρος ... ἐπιγίγνεται ὥρη de lentetijd breekt aan Od. 19.519; ἔαρι in de lente Hes. Op. 569; ἅμα τῷ ἔαρι aan het begin van het voorjaar Hdt. 1.77.3; τοῦ ἦρος in de lente Thuc. 7.50.1; overdr. van charme of aantrekkelijkheid: ἔαρ ... ὁρόωσα met de lente in haar ogen Theocr. Id. 13.45; τὸ ἔαρ τῶν πτερῶν de schitterende verenpracht (van een pauw)Luc. 10.11.