διττός -ή -όν, Ion. δισσός, ook διξός [~ δίς] dubbel, tweevoudig; twee: δίσσοι τύραννοι twee heersers Aeschl. PV 957; overdr. verschillend: δύο λήμασι δισσοὺς Ἀτρεῖδας de twee Atriden, verschillend in karakter Aeschl. Ag. 122; dubbelzinnig: φάσματα δισσῶν ὀνείρων de beelden van mijn dubbelzinnige dromen Soph. El. 645; subst. τὸ δίσσονdubbelzinnigheid.