ἐρέττω, Ion. ἐρέσσω [ἐρέτης] ep. imperf. ἔρεσσον; aor. ἤρεσ(σ)α 1. roeien; uitbr. ook van vogels: πτεροῖς ἐ. roeien met haar vleugels Eur. IT 289. 2. voortroeien, met acc.; pass.: πᾶσα ναῦς ἐρέσσετο elk schip werd voortgeroeid Aeschl. Pers. 423; overdr.: γόων … ἐρέσσετ’ … πόμπιμον χεροῖν πίτυλον roeit met uw handen de ritmische slag die het weeklagen begeleidt (d.w.z. slaat u op de borst)Aeschl. Sept. 855; uitbr. snel bewegen: ἐ. τὸν πόδα vaart maken met zijn voeten Eur. IA 138; overdr.: τοίας ἐρέσσουσιν ἀπειλὰς ... καθ’ ἡμῶν zulke bedreigingen mobiliseren zij tegen ons Soph. Ai. 251; pass. van een boog: ἐρέσσῃ je wordt gehanteerd Soph. Ph. 1135.