αἰνίττομαι, Ion. αἰνίσσομαι [αἶνος] aor. ᾐνιξάμην en ᾐνίχθην, ptc. αἰνιχθείς; perf. ᾔνιγμαι, inf. ᾐνίχθαι; fut. αἰνίξομαι 1. raadseltaal spreken, in raadselen spreken: μῶν ᾐνιξάμην; heb ik soms in raadsels gesproken? Soph. Ai. 1158; γνωρίμως αἰνίττεσθαι begrijpelijke raadseltaal spreken Eur. El. 946; met acc. v.h. inw. obj.: αἰνίσσεσθαι ἔπεα raadselachtige verzen spreken Hdt. 5.56.1. 2. in bedekte woorden zeggen, raadselachtig aanduiden, zinspelen op, een toespeling maken op, met acc.: τί ποτε αἰνίττεται wat duidt hij met deze raadsels aan? Plat. Ap. 21b; met prolepsis: ᾐνίξατο ... ποιητικῶς τὸ δίκαιον ὃ εἴη (Simonides) duidde op dichterlijke wijze raadselachtig aan wat rechtvaardigheid is Plat. Resp. 332b; met ὅτι dat; met εἰς + acc.: ἐς Κλέωνα τοῦτ’ αἰνίσσεται dat is een toespeling op Cleon Aristoph. Pax 47; met acc. en εἰς of πρός + acc. met ... zinspelen op: ᾐνίξαθ’ ὁ Βάκις τοῦτο πρὸς τὸν ἀέρα Bakis zinspeelde hiermee op de lucht Aristoph. Av. 970.