δι-ορύττω, Ion. διορύσσω 1. graven: διὰ τάφρον ὀρύξας na een geul gegraven te hebben Od. 21.120 (tmes.); door ... graven: δ. τὸν Ἄθω een kanaal door de Athos graven Lys. 2.29; pass.: Ἄθω διορυττόμενον dat een kanaal door de Athos gegraven werd Plat. Lg. 699a; overdr.: διορωρύγμεθα κατὰ πόλεις we hebben ons ingegraven in onze respectievelijke steden Dem. 9.28; διορωρυγμένα δωροδοκίᾳ ondermijnd door omkoping Plut. Phoc. 12.2. 2. dóórbreken: δ. τοὺς κοινοὺς τοίχους de tussenmuren door te breken Thuc. 2.3.3; inbreken: κλέπται διορύσσουσιν καὶ κλέπτουσιν dieven breken in en stelen NT Mt. 6.19.