δράττομαι, ep. en Ion. δράσσομαι, aor. ἐδραξάμην, fut. δράξομαι, perf. δέδραγμαι 1. een handvol pakken van, met gen.: δραξάμενοι τῶν ἁλῶν een handjevol zout gepakt hebbend Plat. Lys. 209e; met impliciet obj.: ταύτας δρασσόμενος ... διέσπειρε die (zilveren minae) schrooide hij bij handen vol uit Hdt. 3.13.4. 2. grijpen, met gen.: ἐδράξατο ... κέραος hij greep de hoorn Theocr. Id. 25.145. 3. perf. vasthouden, met gen.: κόνιος δεδραγμένος αἱματοέσσης met het bebloede stof in zijn handen Il. 13.393; τί μου δέδραξαι χερσί; waarom houd je me beet met je handen? Eur. Tr. 750; overdr.: τῆς ἐλπίδος ... ἔρχομαι δεδραγμένος ik kom terwijl ik me vastklamp aan de hoop Soph. Ant. 235. 4. later Gr. met acc. beetpakken, betrappen: ὁ δρασσόμενος τοὺς σοφοὺς ἐν τῇ πανουργίᾳ αὐτῶν hij die de wijzen in hun eigen sluwheid vangt NT 1 Cor. 3.19.