πάτταλος -ου, ὁ, Ion. πάσσαλος, ep. gen. πασσαλόφι(ν), houten pen, nagel, plug, haak: ἀπὸ πασσάλου αἴνυτο τόξον zij nam de boog van de haak Od. 21.53; Δωρίαν ἀπὸ φόρμιγγα πασσάλου λάμβανε neem je Dorische lier van de haak Pind. O. 1.17; παττάλους ἐνέκρουσεν εἰς τὸν τοῖχον hij sloeg houten pluggen in de muur Aristoph. Ve. 129; spreekw.: ἔχειν μηδὲ πάτταλον vgl. geen rooie cent hebben Aristoph. Eccl. 284; gebruikt bij wijze van prop in de mond: ἐμβαλῶ σοι πάτταλον ἢν μὴ σιωπᾷς ik zal je de mond snoeren als je niet zwijgt Aristoph. Th. 222; seks. paal, lul: τὸν νέον ... λαμβάνεσθαι ... τοῦ παττάλου de jonge knul bij zijn pik pakken Aristoph. Eccl. 1020.