τετμεῖν [τέμω?] poët. aor., indic. 3 sing. ep. τέτμε(ν) en ἔτετμε(ν), (aan)treffen, bereiken, met acc.: τὴν δ’ ἔνδοθι τέτμεν ἐοῦσαν hij trof haar binnen aan Od. 5.58; ὃν κτεάτεσσιν ἑοῖς ἔπι γῆρας ἔτετμε (een man) die de ouderdom bereikt in het bezit van zijn eigendommen Od. 1.218; met gen. verkrijgen: ὃς δέ κε τέτμῃ ἀταρτηροῖο γενέθλης maar wie een onaangenaam nageslacht krijgt Hes. Th. 610.