ὑπο-δέδοικα, ep. ὑποδείδια, perf. met praes.-bet., ptc. ὑποδεδιώς en ὑποδεδοικώς; aor. ὑπέδ(δ)εισα, bang zijn voor, vrezen, met acc.: μνηστήρων χαλεπῶν ὑποδείδι’ ὅμιλον ik vrees de menigte lastige vrijers Od. 17.564; θεῶν … ὑποδείσατε μῆνιν vrees de toorn van de goden Od. 2.66; ἄνακτος ὑποδείσαντες ὁμοκλήν geschrokken van het verwijt van hun heerser Il. 12.413; μή τίς μοι ὑποδδείσας ἀναδύῃ opdat niemand van angst zou wegduiken Od. 9.377; ptc. ὑποδεδιώς als subst., kom. vogelnaam schijtlijster Aristoph. Av. 65.