About Report a problem

Menu

αἱμάττω

αἱμάττω, Ion. αἱμάσσω [αἷμα] aor. ᾕμαξα, poët. αἵμαξα; aor. pass. ᾑμάχθην en αἱμάχθην; perf. pass. ᾕμαγμαι; fut. αἱμάξω, pass. αἱμαχθήσομαι
1.  van pers. bloed doen vloeien (van), met acc.: πότερος ἄρα πότερον αἱμάξει; wie van beiden zal het bloed van de ander doen vloeien? Eur. Phoen. 1289; ook abs., met wapen als subj.: οὐχ ᾕμασσε βέλος het projectiel deed geen bloed vloeien Eur. Ba. 761; med.: αὐτόχειρ δ’ αἱμάσσεται zijn bloed heeft gevloeid door zijn eigen hand Soph. Ant. 1175.
2.  van zaken bebloed maken, met bloed bevlekken: τὸ ξίφος ἔδειξεν ᾑμαγμένον hij liet zien dat het zwaard bevlekt was met bloed Plut. Ant. 78.1.

Saved

Recent