νύττω, Ion. νύσσω, aor. act. ἔνυξα, aor. pass. ἐνύχθην en ἐνύγην, fut. νύξω, stoten tegen, treffen, steken, met acc.: ἀσπίδα νύξεν hij stootte tegen het schild (met zijn speer)Il. 7.260; νύττουσι … τἀντικνήμια ze stoten tegen de schenen Aristoph. Pl. 784; met acc. van pers.: τὸν … ἑσταότ’ ἔγχεϊ νύξε hij stak hem met zijn lans terwijl hij stond Il. 5.579; overdr. van een idee: σὲ … νύξας ὁ λόγος ἀπὸ τοῦ ὕπνου ἐκθορεῖν ἐποίησεν de redenering stak je en deed je uit je slaap opspringen Luc. 70.71.