πλοῦς -οῦ, ὁ, zonder contr. πλόος -όου, ὁ [πλέω] Att. sing. gen. πλοῦ, dat. πλῷ, acc. πλοῦν; plur. nom. πλοῖ, dat. πλοῖς 1. vaart, zeereis; πλοῦν στέλλειν of πλοῦν ποιεῖσθαιeen (zee)reis maken, (uit)varen; overdr.: π. τῆς ζωῆς levensloop Plat. Lg. 803b; overdr. ὁ δεύτερος π.de op één na beste manier van varen (d.w.z. de één na beste oplossing): κατὰ τὸν δεύτερον πλοῦν de op één na beste koers volgend Aristot. EN 1109a35. 2. gunstige wind om te varen: πλῷ χρησάμενος gebruikmakend van de gunstige wind Thuc. 3.3.5.