ἐκ-μάττω, Ion. ἐκμάσσω 1. act. a. afvegen, uitwissen: κάρᾳ κηλῖδας ἐξέμαξεν zij veegde de bloeddruppels op zijn hoofd weg Soph. El. 446. b. boetseren, modelleren: αὑτὸν ἐκμάττειν ... εἰς τοὺς τῶν κακιόνων τύπους zichzelf te kneden naar het model van slechtere mensen Plat. Resp. 396d. 2. med. een afdruk dragen van, met acc.: κονία ... ποδῶν ἐκμάσσεται ἴχνη het stof laat een afdruk van voetsporen zien Theocr. Id. 17.122; (τὸν Κικέρωνα) τὴν ἰδέαν τοῦ παιδὸς ἐκμεμάχθαι dat het uiterlijk van de jongen in (Cicero's) geheugen gegrift was (lett. dat Cicero getekend was door het uiterlijk etc.)Plut. Cic. 44.5.