ἐφίεμαι 1. mikken op, met gen.: ἐφιέμενοι τῶν προσώπων terwijl zij mikten op de gezichten Plut. Pomp. 71.7; overdr. begeren naar, verlangen, met gen.: τί τῆς κακίστης δαιμόνων ἐφίεσαι; waarom verlang je naar de slechtste godin? Eur. Phoen. 531; ἐφίεσθαι τῶν κερδῶν begerig zijn naar winsten Thuc. 1.8.3; subst. ptc.: οἱ ἰσότητος ἐφιέμενοι degenen die naar gelijkheid streven Aristot. Pol. 1302a25; met inf.: ἐφιέμενοι ... τῆς πάσης ἄρξειν ernaar streven het gehele (eiland) in hun macht te krijgen Thuc. 6.6.1. 2. opdragen, met dat. en acc.: ἄλλο δέ τοι ... ἐφήσομαι ik zal je eens iets anders opdragen Il. 23.82; ἅς σοι πατὴρ ἐφεῖτο (opdrachten) die jouw vader je heeft gegeven Aeschl. PV 4; met dat. en inf.: ἡμῖν ἐφεῖτ’ ἐν ὥρᾳ ἥκειν hij heeft ons opgedragen op tijd te komen Aristoph. Ve. 242. 3. toestaan, met dat. en inf.: κάρα τέμνειν ἐφεῖτο τῷ θέλοντι hij stond ieder die het wilde toe zijn hoofd af te slaan Soph. Ph. 619.