ἡττάομαι, Ion. ἡσσάομαι of ἑσσόομαι [ἥττων] imperf. ἡττώμην, Ion. ἑσσούμην; aor. ἡττήθην, Ion. ἑσσώθην; perf. ἥττημαι, Ion. ἕσσωμαι; fut. ἡττήσομαι; ἡττηθήσομαι 1. verslagen worden, nederlaag lijden: οἱ ἑσσούμενοι de verslagenen Hdt. 7.9β.1; met acc. v.h. inw. obj.: ὁ δὲ τὴν τοιαύτην δίκην ἡττηθείς wie een dergelijke rechtszaak verloren heeft Plat. Lg. 880c; ἑσσωμένοι ἦσαν τῷ θυμῷ zij (de Perzen) hadden de moed verloren Hdt. 8.130.3; met gen. of ὑπό + gen.: οὐχ ὑπ’ ἔρωτος ἡττώμενος niet door hartstocht overmand Plat. Phaedr. 233c; onderworpen zijn aan: τοῖς ἡττωμένοις τῶν φόβων zij die slaaf zijn van hun angsten Plat. Lg. 635d. 2. de mindere zijn (van), overtroffen worden (door), met gen.: γυναικός ... ἡσσημένος jij die de mindere bent van een vrouw Eur. Alc. 697; met ptc.: οὐχ ἡττησόμεθα εὖ ποιοῦντες wij zullen niet overtroffen worden in generositeit Xen. An. 2.3.23. 3. toegeven aan, zwichten voor: ἀκοῆς ἡδονῇ ἡσσώμενοι toegevend aan het genot van van mooi gesproken woorden Thuc. 3.38.7; χρήματα ὧν ὑμεῖς ἡττήσεσθε geld waarvoor jullie zullen zwichten Lys. 28.9.