ἀντι-καταλλάττω, meestal med. 1. ruilen, in ruil geven, met gen. of ἀντί + gen. tegen iets; in ruil ontvangen, met ὑπέρ + gen. voor iets. 2. overdr. er tegenoverstellen: ἀντικαταλλάττεσθαι ἀδικοῦντα, εἰ βλαβερόν, ἀλλ’ οὖν καλόν als iemand die onrecht heeft gedaan er tegenoverstelt: als het schade toebracht, dan was het in ieder geval wel nobel Aristot. Rh. 1416a12.