ἐλαττόω, Ion. ἐλασσόω [ἐλάττων] 1. act. met acc. verkleinen, verminderen: τὴν πόλιν ἐ. de stad zwakker maken Lys. 13.9; met gen.: μὴ ἐλασσοῦν τῆς ὑπαρχούσης (τιμῆς) niet afbreuk te doen aan zijn huidige prestige Thuc. 3.42.5. 2. pass. a. verloren gaan: καὶ τὰ προκεκτημένα φιλεῖ ἐλασσοῦσθαι ook wat men eerder heeft verworven gaat gewoonlijk verloren Thuc. 2.62.3. b. onderdoen voor, met gen. v. pers. en dat.: τῷ γένους ὄγκῳ ἐλαττώμεθα τῶν ἀνδρῶν in het gewicht van onze afstamming moeten wij achterblijven bij die mannen Plat. Alc.1 121b; met gen. en acc.: πολλὰ ... ἐλαττοῦμαι ... Αἰσχίνου in vele opzichten moet ik onderdoen voor Aeschines Dem. 18.3; het onderspit delven: ἐ. τῷ πολέμῳ het onderspit delven in de oorlog Thuc. 1.115.2.
ἐλαττόω, att. = ἐλασσόω.
Number of occurrences in NT: 3 Strong 1642
ἐλαττόω, -ῶ (< ἐλάιττων), [in LXX (where also -σσῶ) chiefly for חָסֵר, and very freq. in Si;]
to make less: He 2:7(LXX); pass., Jo 3:30, He 2:9.†