δίομαι en athem. δίεμαι, ep., meestal praes. of imperf.; act. them. aor. of imperf. δίον 1. met acc. a. achtervolgen: δηΐους προτὶ ἄστυ δίεσθαι de vijanden naar de stad achtervolgen Il. 12.276; ὅτε νεβρὸν ὄρεσφι κύων ... δίηται wanneer een hond in het gebergte een hinde achtervolgt Il. 22.189; voortdrijven: ὅς τ’ ... ἵππους ... προτὶ ἄστυ δίηται die zijn paarden voortdrijft naar de stad Il. 15.681. b. verjagen: ἀπὸ σώματος οὔ τι λέοντ’ ... δύνανται ποιμένες ... δ. de herders zijn niet in staat de leeuw van het kadaver weg te jagen Il. 18.162. 2. rennen: ἵπποι ... πεδίοιο δίενται de paarden rennen door de vlakte Il. 23.475; vluchten: τρὶς περὶ ἄστυ μέγα Πριάμου δίον drie keer vluchtte ik rond de grote stad van Priamus Il. 22.251; overdr. ervoor terugdeinzen: δίομαι μὲν χαρίσασθαι ik deins ervoor terug u een gunst te bewijzen Aeschl. Pers. 700.