νεοττός -οῦ, ὁ, Ion. νεοσσός [~ νέος] jonge vogel, kuiken; ook alg. jong, van dieren of mensen: νεοσσοὺς τούσδ’ ἀποφθείρας als u ons, zijn kroost, laat omkomen Aeschl. Ch. 256; νεοττῶν ἐγγέννησις het uitbroeden van jongen Plat. Lg. 776a; overdr.: ἵππου νεοσσός het broedsel van het paard (van Troje)Aeschl. Ag. 825.