ἔν-νους -ουν, zonder contr. ἔννοος -οον 1. verstandig, bij zinnen: σφας ... ἔννους ἔθηκα ik maakte hen verstandig Aeschl. PV 444; ἔ. γίγνεσθαι bij zinnen komen Eur. Ba. 1270. 2. bewust, op de hoogte: ἔννουν γεγονέναι ὅτι zich er bewust van zijn dat Lys. 10.20.