ἀπηύρα, alleen aor.-vormen; Hom. 1 sing. en 3 plur. ἀπηύρων, 3 sing. ἀπηύρα, ptc. ἀπούρας 1. met acc. wegnemen, afnemen: ἐλεύθερον ἦμαρ ἀπούρας hun de dag van de vrijheid ontnemend Il. 6.455; met dubb. acc.: ἄμφω θυμὸν ἀπηύρα hij ontnam hun beiden het leven Il. 6.17; met acc. en dat.: πολέσσιν … θυμὸν ἀπηύρα hij beroofde velen van het leven Il. 17.236; met acc. en gen.: τῆς τε Ζεὺς ὄλβον ἀπηύρα van haar pakt Zeus haar rijkdom af Od. 18.273. 2. met alleen gen. lijden onder: πόλις κακοῦ ἀνδρὸς ἀπηύρα de stad lijdt onder een slechte man Hes. Op. 240.