διπλοῦς -ῆ -οῦν, zonder contr. διπλόος -όη -όον, Ion., poët. en later διπλός -ή -όν [~ ἁπλοῦς] 1. dubbel: χλαῖνα διπλῆ een dubbele mantel Il. 10.134; tweevoudig: ἐκπεφευγὼς διπλόον θάνατον tweemaal ontsnapt aan de dood Hdt. 6.104.1; διπλῇ χερί door wederzijdse hand Soph. Ant. 14; οἰκίδιον διπλοῦν een huisje met twee verdiepingen Lys. 1.9; trag. twee: διπλαῖ ὁδοί twee wegen Aeschl. PV 950; σὼ κασιγνήτω διπλῶ uw twee broers Eur. Hel. 1664; gramm.: διπλᾶ ὀνόματα composita Aristot. Rh. 1404b29. 2. pregn. dubbelzinnig, vals: σὺ μὲν ... οὔτ’ ἄπιστος οὔτε διπλόη jij bent tenminste niet onbetrouwbaar of vals Archil. 196a.24; διπλοῦν ... οὐδὲν πώποτέ μου ... ποιήσαντος (jullie kunnen mij er niet van beschuldigen) dat ik ooit iets verraderlijks heb gedaan Xen. Hell. 4.1.32. 3. tweemaal zo veel als, het dubbele van, met gen.: ποιεῖτε αὐτὸν ... διπλότερον ὑμῶν jullie maken hem tweemaal zo erg als jullie zelf zijn NT Mt. 23.15. 4. adv. διπλῇtweemaal: κεἰ θανεῖν μέλλω διπλῇ zelfs al moet ik tweemaal sterven Eur. Ion 760; διπλῷdubbel: διπλῷ θάτερα τῶν ἑτέρων διάφορα de ene (soort wetten) is tweemaal superieur aan de andere Plat. Lg. 722b.