About Report a problem

Menu

σπαράττω

σπαράττω, Ion. σπαράσσω, aor. ἐσπάραξα, aor. pass. ἐσπαράχθην, fut. σπαράξω
1.  verscheuren, afscheuren, in stukken scheuren, openrijten: σάρκας γεραιὰς ἐσπάρασσ’ ἀπ’ ὀστέων hij scheurde zijn oude vlees los van zijn botten Eur. Med. 1217; med.: οὐ σπαράξομαι κόμαν; zal ik mij de haren niet uitrukken? Eur. Andr. 1209; pass., uitbr.: πρὶν σπαράσσεσθαι κόμης voordat ik word weggesleurd aan mijn haar Eur. IA 1458; overdr.: σπαράττειν τῷ λόγῳ τοὺς πλησίον ἀεί iedereen die telkens maar in de buurt komt verbaal aan stukken scheuren Plat. Resp. 539b.
2.  doen stuiptrekken: σπαράξαν αὐτὸν τὸ πνεῦμα τὸ ἀκάθαρτον toen de onreine geest hem had doen stuiptrekken NT Marc. 1.26.

Saved

Recent