About Report a problem

Menu

φρίττω

φρίττω, andere dial. φρίσσω [φρίξ] aor. ἔφριξα, poët. ook 3 plur. φρῖξαν; perf. πέφρικα, Dor. ptc. πεφρίκων
1.  overeind gaan staan, van haren e.d.: ἵνα τοι τρίχες ἀτρεμέωσιν μηδ’ ὀρθαὶ φρίσσωσιν opdat jouw haren rustig blijven en niet recht overeind gaan staan Hes. Op. 540; de haren of stekels overeind zetten; met acc. resp.: φρίσσει δέ τε νῶτον ὕπερθεν hij (zwijn) zet de stekels bovenop zijn rug overeind Il. 13.473; overdr. er borstelig of ruig uitzien; met dat.: ἔφριξεν δὲ μάχη ἐγχείῃσιν μακρῇς de strijd kreeg een ruig aanzien door de lange lansen Il. 13.339; λέοντος δέρος ... χαίτῃ πεφρικός een leeuwenvacht met ruige manen Eur. Phoen. 1121; abs.: ὅτε φρίσσουσιν ἄρουραι wanneer de akkers ruig zijn (van het hoge koren) Il. 23.599.
2.  rillen, van kou: θῆρες δὲ φρίσσουσι de wilde dieren rillen Hes. Op. 512; overdr. huiveren, van angst; bang zijn (voor), met acc.: πάντες δέ με πεφρίκασιν allen huiveren voor mij Il. 24.775; ook van genot, met dat.: ἔφριξ’ ἔρωτι ik ril van verrukking Soph. Ai. 693.

Saved

Recent