ἀπαλλάττω
1. act. met acc.
a. verwijderen, weghalen uit
b. bevrijden van;
c. beëindigen:
2. act. zonder acc. eindigen:
3. med.-pass.
a. weggaan, vertrekken, met gen.:
b. bevrijd raken van, van iets loskomen, met gen.:
c. een einde maken aan, ophouden met,
ἀπαλλάττω, att. = ἀπαλλάσσω.