About Report a problem

Menu

ἀπαλλάττω

ἀπ-αλλάττω, Ion. ἀπαλλάσσω
1.  act. met acc.
a.  verwijderen, weghalen uit of van, met acc. en gen.: οὔτ’ ἀπαλλάσσουσα γῆς πρόσωπον zonder haar blik van de grond af te wenden Eur. Med. 27; met acc. en ἀπό of ἐκ + gen.: τοὺς Πελοποννησίους ἀπαλλάξαι ἐκ τῆς χώρας de Peloponnesiërs uit het gebied verwijderen Thuc. 8.46.4; (weghalen en) vervangen: Μεγαβάτην ἀπαλλάξαντα ὅς πρότερον ἦρχε ter vervanging van Megabazus die tot dan toe satraap was geweest Thuc. 1.129.1; van iem. afkomen: τοὺς Λακεδαιμονίους ... εὐθὺς ἀπήλλαξαν zij maakten zich snel van de Lacedaemoniërs af Thuc. 1.90.3; ἀπαλλάξαι τοὺς κατηγόρους van de aanklagers afkomen Lys. 29.1.
b.  bevrijden van; met acc. en gen.: ἦ ’μὸς παῖς σ’ ἀπαλλάξει κακῶν zal mijn zoon jou van je ellende bevrijden? Aeschl. PV 773; met acc. en prep. bep.: τὴν πόλιν ἐκ φόβου καὶ κακῶν ἀ. de stad van angst en ellende bevrijden And. 1.59.
c.  beëindigen: τόνδ’ ἀπαλλάσσω λόγον ik maak een eind aan dit onderwerp Eur. Med. 790.

2.  act. zonder acc. eindigen: ὁ ... πρῶτος στόλος ... οὕτως ἀπήλλαξε de eerste expeditie liep zo af Hdt. 5.63.4; (er)van ... afkomen, met prep. bep.: ἀπὸ ... τούτων οὐκ ὡς ἤθελε ἀπήλλαξε hij kwam hiervan niet af zoals hij wilde Hdt. 1.16.2; met pred. adj.: χαίρων ἀ. er ongestraft van afkomen Hdt. 3.69.2; met adv.: πῶς ... ἀπήλλαχεν ἐκ τῆς ὁδοῦ; hoe was hij eraan toe na de reis? Xen. Mem. 3.13.6.
3.  med.-pass.
a.  weggaan, vertrekken, met gen.: ἀπαλλαχθήσομαι βίου ik zal vertrekken uit het leven Eur. Hipp. 356; met prep. bep.: ἀπαλλάσσατο ἐκ τῆς χώρης hij vertrok uit het gebied Hdt. 1.61.2; abs.: τοὐδ’ ἀπαλλαγέντος ἐν χρόνῳ μακρῷ toen deze (stofwolk) uiteindelijk was verdwenen Soph. Ant. 422; ταῦτα ... ὑμῖν ... μαντευσάμενος ἀπαλλάττομαι met deze voorspelling aan u vertrek ik Plat. Ap. 39d; spec. scheiden van, met ἀπό + gen.: ἀπαλλάττεσθαι γυναῖκά τε ἀπ’ ἀνδρὸς καὶ τὸν ἄνδρα ἀπὸ γυναικός dan moet de vrouw van de man scheiden en de man van de vrouw Plat. Lg. 868d; perf. weg zijn, ver zijn van; overdr. verschillend zijn, met gen.: θεῶν ... πολλὸν ἀπηλλαγμένους sterk verschillend van de goden Hdt. 2.144.1; met inf.: ὧν δ’ ἄπειρος εἴη, κρῖναι ἱκανῶς οὐκ ἀπήλλακτο over dingen waarin hij onervaren was ontbrak het hem niet aan een juist oordeel Thuc. 1.138.3.
b.  bevrijd raken van, van iets loskomen, met gen.: οὕτω ἀπαλλαχθέντας σφέας δουλοσύνης εὐδαιμονήσειν dat zij zo bevrijd van slavernij gelukkig zouden zijn Hdt. 1.170.2; perf. vrij zijn van: εὐηθίης ἠλιθίου ἀπηλλαγμένον vrij van kindse naïviteit Hdt. 1.60.3; οὐκ ἴσμεν ὅπως τάδε τριῶν τῶν μεγίστων ξυμφορῶν ἀπήλλακται wij zien niet in hoe deze (politiek) vrij is van drie zeer ernstige fouten Thuc. 1.122.4.
c.  een einde maken aan, ophouden met, met gen.: ἀπαλλάττεσθαι πρὸς ἀλλήλους τῶν ἐγκλημάτων een eind maken aan de aanklachten tegen elkaar Plat. Lg. 915c; met ptc.: εἰπὼν ἀπαλλάγηθι τίνας ποτὲ λέγεις τοὺς βελτίους τε καὶ κρείττους zeg kort en goed wie je nu bedoelt met ‘de beteren en de sterkeren’ Plat. Grg. 491c; abs.: τοῦτο … ἀπήλλακται dat is een uitgemaakte zaak Plat. Lys. 220b.

Saved

Recent