ἐν-θυμέω [θυμός] meestal med.-pass. 1. overdenken, nadenken, bedenken, met acc.: ἐνθυμούμεθα ὀρθῶς τὰ πράγματα wij overdenken zaken op een juiste manier Thuc. 2.40.2; met περί + gen.: περὶ ποιήσεως ἐ. over dichtkunst nadenken Plat. Resp. 595a; met bijzin: ἐνθυμοῦ δὴ μή τι παραλείπωμεν τῶν ἀγαθῶν denk er wel aan dat we niets van de goede dingen achterwege laten Plat. Euthyd. 279c; pass.: ταυτὶ μὲν ἡμῖν ἐντεθύμηται καλῶς dat is door ons goed gepland Aristoph. Eccl. 262; abs.: κράτιστος ἐνθυμηθῆναι het sterkst in het smeden van plannen Thuc. 8.68.1. 2. zich realiseren, begrijpen, met ὅτι-zin: ἐνθυμούμεθα ... ὅτι ... οὐδὲν ἐν τοσούτῳ λόγῳ εἰρήκατε wij realiseren ons dat jullie in dat hele verhaal niets hebben gezegd Thuc. 5.111.2; met ptc.: ἐνθυμηθήτω οὐ περὶ τῆς ἐμῆς μᾶλλον ... μαχούμενος laat hij dan beseffen dat hij niet zozeer strijdt om mijn land Thuc. 6.78.1. 3. denken aan, zich herinneren: καὶ τόδε ἐνεθυμήθην en het volgende viel mij in And. 1.52; τῶν προγόνων ἐνθυμούμενος mijn voorouders indachtig Lys. 16.20. 4. bezorgd zijn: τὰ μὲν γὰρ οἶδα κάρτα σ’ ἐνθυμουμένην want ik weet dat u over het ene zeer bezorgd bent Aeschl. Eum. 222; περὶ τῶν μελλόντων οὐκ ἐνθυμήσεσθαι dat u zich geen zorgen zult maken over de toekomst Lys. 12.45; abs.: οὐκ ἐνθυμεῦνται zij zijn niet ongerust Hp. Aër. 22.