ἔκτοσθε(ν) [ἐκτός] 1. adv. van plaats waar aan de buitenkant: ἕσσατο δ’ ἔκτοσθεν ῥινόν hij trok een huid over zich heen Il. 10.334; buiten: ἔ. πάγοι ὀξέες erbuiten zijn scherpe klippen Od. 5.411; geneesk.: ἔκτοσθεν ἐγένετο hij raakte in delirium Hp. 2. prep. met gen. buiten: τείχεος ἔκτοσθε buiten de muur Il. 9.552; afgezonderd van: θεῶν ἔκτοσθεν ἁπάντων afgezonderd van alle goden Hes. Th. 813.