δια-ζήω, Ion. διαζώω, leven, zich in leven houden: ὀρθῶς διαζῆν τὸν βίον op de juiste manier zijn leven leiden Eur. IA 923; met ptc.: ποιηφαγέοντες διέζωον zij hielden zich in leven door gras te eten Hdt. 3.25.6; met ἀπό: ὥς με καὶ μάθῃς ἀφ’ ὧν διέζων opdat jij ook weet waarmee ik mij in leven hield Soph. Ph. 535.