πράττω
πράττω, v. πράσσω.
πράττω, att. c. πράσσω.
1. met acc.
a. een weg gaan
b. volbrengen, bereiken, slagen (in), bij Hom. vaak met ontk.:
c. tot stand brengen, bewerkstelligen, verrichten, doen:
d. zich bezighouden met, doen:
e. zaken regelen, onderhandelen,
f. laten betalen, invorderen:
2. intrans. het
πράττω, att. statt πράσσω.