συμπράττω
1. act.
a. met acc. van zaak en dat. van pers. samen (met ...) doen, (iem.) bijstaan in:
b. met acc. van zaak helpen bij, meewerken aan:
c. met dat. van pers. samenwerken met, assisteren:
d. met adv.
e. abs. meedoen, assisteren, helpen:
2. med. samen (met ...) wraak nemen voor, met dat. van pers. en acc. van zaak:
συμπράττω, att. = συμπράσσω.