About Report a problem

Menu

συμπράττω

συμ-πράττω, Ion. συμπρήσσω, Att. ook ξυμπράσσω en ξυμπράττω, trag. en later συμπράσσω
1.  act.
a.  met acc. van zaak en dat. van pers. samen (met ...) doen, (iem.) bijstaan in: σήμαιν’ ὅ τι χρή σοι συμπράσσειν geef aan waarbij ik je moet helpen Aeschl. PV 297; οἷς ἂν τἀγαθὰ συμπράττωσιν met wie zij samen het goede tot stand brengen Aristot. Rh. 1381b25.
b.  met acc. van zaak helpen bij, meewerken aan: οἳ ἐδόκουν μάλιστα ξυμπρᾶξαι τὰ πρὸς τοὺς Ἀθηναίους die naar hun oordeel het meest hadden samengewerkt met de Atheners Thuc. 4.74.3.
c.  met dat. van pers. samenwerken met, assisteren: ξυνέπρασσε ... αὐτοῖς καὶ Ἀλκιβιάδης ook Alcibiades assisteerde hen Thuc. 8.6.3; met ὥστε, ὅπως om ... te: ἤλπιζον γὰρ Ναύπακτον αὐτοῖς συμπράξειν ὥστ’ ἀπολαβεῖν zij hoopten dat hij hen zou helpen om Naupactus terug te krijgen Xen. Hell. 4.6.14; met πρός + acc. om ... te bereiken: μέγα πρὸς δύναμιν αὐτῷ ... ἡ Κικέρωνος συνέπραξε πολιτεία Cicero’s politiek droeg zeer bij aan zijn macht Plut. Cic. 8.7.
d.  met adv. κακῶς σ. delen in de ellende: σὺν κακῶς πράσσουσι συμπράσσω κακῶς ik deel de ellende met hen die er slecht aan toe zijn Eur. Hcld. 27.
e.  abs. meedoen, assisteren, helpen: συμπράξειν ὑπισχνεῖτο hij beloofde te zullen helpen Xen. An. 7.7.19; subst.: οἱ συμπράττοντες medestanders, handlangers Xen. Hell. 3.3.10.

2.  med. samen (met ...) wraak nemen voor, met dat. van pers. en acc. van zaak: συνεπρήξαντο Μενέλεῳ τὰς Ἑλένης ἁρπαγάς zij hadden met Menelaus de schaking van Helena gewroken Hdt. 5.94.2.

Saved

Recent