ἐν-αρμόττω en ἐναρμόζω, Dor. inf. aor. act. ἐναρμόξαι 1. met acc. invoegen in, aanpassen aan, met dat. of prep. bep.: εἰς παιδιὰν ἐναρμόττειν τι iets aanpassen aan een spel Plat. Lg. 819c; overdr.: πλευροῖς ... ἐ. βέλη pijlen in de zijden (van de Giganten) schieten Eur. HF 179. 2. zonder acc. passen in, passen bij, met dat. of prep. bep.: τι ... ἐνάρμοσσον ἐς τὸ κοῖλον τῆς μασχάλης iets dat past in de holte van de oksel Hp. Art. 6; τοῖς πολλοῖς ἐνήρμοττε bij de volksmassa viel hij in de smaak Plut. Them. 5.6.