δια-πράττω, Dor. διαπράσσω, Ion. διαπρήσσω, Ion. aor. act. διέπρηξα, opt. διαπρήξαιμι, ptc. med. διαπρηξάμενος; Att. fut. perf. med.-pass. 3 sing. διαπεπράξεται 1. act. a. (een weg) afleggen, met gen.: διέπρησσον πεδίοιο zij staken de vlakte over Il. 2.785; met acc.: δ. κέλευθον de tocht volbrengen Od. 2.213; realiseren, uitvoeren: οὕτω μοι διέπρηξας τό τοι προσέθηκα πρῆγμα; heb je de zaak die ik je had opgedragen zo uitgevoerd? Hdt. 3.62.2; met ptc.: καὶ εἰς ἐνιαυτὸν ... οὔ τι διαπρήξαιμι λέγων zelfs in een jaar zou ik niet klaar komen met vertellen Od. 14.197; van tijd doorbrengen: ἤματα ... διέπρησσον πολεμίζων ik heb dagen doorgebracht met oorlogvoeren Il. 9.326. b. abs., pregn. succesvol zijn: τότε πλουτοῦσι διαπράττουσι dan zijn ze rijk en hebben ze succes Aristoph. Eq. 93. c. afmaken, vernietigen, steeds pass.: πάντα γ’ ἔστ’ ἐκεῖνα διαπεπραγμένα alle troepen daar zijn vernietigd Aeschl. Pers. 260; διαπεπράγμεθα het is met ons gedaan Eur. Hel. 858. 2. med. a. zaken doen, onderhandelen: δι’ ἑπτὰ ἑρμηνέων καὶ δι’ ἑπτὰ γλωσσέων διαπρήσσονται (de Scythen) doen zaken (met hen) met zeven tolken en in zeven talen Hdt. 4.24; πρὸς τὸν Σεύθην περὶ σπονδῶν δ. met Seuthes over een wapenstilstand onderhandelen Xen. An. 7.4.12. b. bewerkstelligen, gedaan krijgen, met acc.: ἐσχηματισμένη ὡς ὑπερήφανόν τι διαπραττομένη terwijl ze doet alsof ze iets geweldigs bewerkstelligt Plat. Grg. 511d; ook pass.: τούτῳ τὸ ... μέγα δύνασθαι ... ἐν τῇ πόλει διαπεπράξεται zo zal door deze (man) grote macht in de stad bereikt zijn Plat. Grg. 510e; met inf. dat: διαπεπραγμένος ... παρὰ βασιλέως δοθῆναι αὐτῷ σῴζειν τοὺς Ἕλληνας hij had voor elkaar gekregen dat hem toestemming van de koning was verleend om de Grieken te redden Xen. An. 2.3.25; met ὥστε: διεπράξαντο ὥστε ... ἀπέδοσαν τὸν ἡγέμονα zij kregen gedaan dat zij de aanvoerder vrijlieten Xen. An. 4.2.23.