ἀπο-μάττω, Ion. ἀπομάσσω 1. act. a. afvegen; bij rituelen schoonvegen, reinigen. b. afstrijken (het vlakstrijken van de korenmaat); spreekw.: μή μοι κενεὰν (χοίνικα) ἀπομάξῃς strijk geen lege korenmaat af (d.w.z. doe geen vergeefse moeite)Theocr. Id. 15.95. c. een afdruk maken: σχήματα ἀπομάττειν vormen afdrukken Plat. Tim. 50e. 2. med. a. zich afvegen, zich schoonvegen: καὶ τὸν κονιορτὸν … ἀπομασσόμεθα zelfs het stof zullen we van ons afvegen NT Luc. 10.11; de handen afvegen; met gen. aan:σὺ … Ἀχιλλείων ἀπομάττει jij veegt je handen af aan Achilleïsch brood Aristoph. Eq. 819. b. een afdruk maken, modelleren: ὅθεν … ἀπομαξαμένη na daaruit een model gemaakt te hebben Aristoph. Ran. 1040; als model navolgen: ἀπομάττονται … παρ’ ἀλλήλων zij nemen elkaar als voorbeeld Aristot. EN 1172a12.