About Report a problem

Menu

ἐκπλήττω

ἐκ-πλήττω, ep. en Ion. ἐκπλήσσω, aor. pass. ἐξεπλάγην, ep. 3 plur. ἔκπληγεν, poët. ptc. f. ἐκπληχθεῖσα
1.  act.
a.  wegslaan, verdrijven, met acc.: ἡ τέρψις τὸ λυπηρὸν ἐκπλήσσει de genieting verdrijft onze kommer Thuc. 2.38.1; φόβος μνήμην ἐκπλάττει angst slaat het geheugen uit het lood Thuc. 2.87.4; met acc. en gen. van ... wegslaan, overdr.: ἐκ δ’ ἔκπληξέ μου ... αἰδῶ het deed mij mijn respect verliezen Aeschl. PV 134; ὃς αὐτὸν ἐξέπληξε τῶν ... κομπασμάτων die hem van zijn hautaine houding afhielp Aeschl. PV 360.
b.  uit zijn evenwicht brengen, hevig doen schrikken: ἐκ γάρ με πλήσσουσι ... οἵδε deze lieden brengen mij uit mijn evenwicht Od. 18.231 (tmes.); ὁ μὲν (φόβος) ἐμπίπτων ἐκπλήττει angst die je overvalt doet je hevig schrikken Luc. 26.15; met acc. en gen.: ὅ μ’ ἐκπλήσσει λόγου wat mij van mijn à propos brengt Eur. Or. 549.

2.  pass. hevig schrikken, buiten zinnen raken: ἡνίοχοι δ’ ἔκπληγεν de wagenmenners raakten in paniek Il. 18.225; met acc. resp.: ἐκ γὰρ πλήγη φρένας want hij had zijn verstand verloren Il. 16.403; χαρᾷ δὲ μὴ ’κπλαγῇς φρένας raak niet buiten zinnen van vreugde Aeschl. Ch. 233; ἔρωτι θυμὸν ἐκπλαγεῖσ’ Ἰάσονος overmand door liefde voor Jason Eur. Med. 8.

Saved

Recent