ἐν-αλλάττω, Ion. ἐναλλάσσω 1. act. a. ruilen voor, met acc. en gen.: ἐναλλάξασα φόνον θανάτου moord met de dood bekopen Eur. Andr. 1028. b. veranderen, met acc. en epexeg. inf.: ἐνήλλαξεν θεὸς τὴν τοῦδ’ ὕβριν πρὸς μῆλα ... πεσεῖν de godheid heeft zijn gewelddadigheid veranderd, zodat die op schapen terecht kwam Soph. Ai. 1060. 2. med. ontvangen in ruil voor, met acc. en gen.: τί δ’ ἐνήλλακται τῆς ἁμερίας νὺξ ἥδε βάρος; welk nieuw leed heeft deze nacht ontvangen in ruil voor het leed van de dag? (tekst en interpr. onzeker)Soph. Ai. 208. 3. pass. handelsbetrekkingen hebben met, met dat.: ἡμῶν δὲ ὅσοι μὲν Ἀθηναίοις ἐνηλλάγησαν al diegenen van ons die handelsbetrekkingen hebben gehad met de Atheners Thuc. 1.120.2; geneesk.: ἄρθρα ἐνηλλαγμένα onderling verbonden gewrichten Hp. Art. 46.