κατα-πλήττω, Ion. καταπλήσσω 1. act. verschrikken, verbijsteren: ὁ φόβος καταπλήττει τὰς ψυχάς de angst verbijstert de geest Xen. Cyr. 3.1.25; καταπλήξειν ᾤετο τὸν δῆμον hij meende het volk te kunnen intimideren Dem. 21.194; κ. τοὺς ἀκροατάς de toehoorders imponeren Aristot. Rh. 1408a24. 2. pass. met perf. καταπέπληγαverschrikt zijn, overdonderd zijn: κατεπλήγη φίλον ἦτορ hij raakte in paniek (in zijn hart) Il. 3.31; μὴ καταπέπληχθε ἄγαν weest niet al te zeer ontmoedigd Thuc. 7.77.4; καταπλαγῆναι τῷ πολέμῳ uit het veld geslagen zijn door de oorlog Thuc. 1.81.6; ook met acc. als ww. v. vrezen: μηδὲν καταπλαγέντες τὸν Φίλιππον zonder ook maar enigszins beducht te zijn voor Philippus Dem. 18.185.