κατα-πλάττω, Ion. καταπλάσσω 1. besmeren, met acc. en dat.: ὄξει κατέπλασεν αὐτοῦ τὰ βλέφαρα hij besmeerde diens oogleden met azijn Aristoph. Pl. 721; καταπεπλασμένη ψιμυθίῳ ingesmeerd met make-up Aristoph. Eccl. 878; med. zich insmeren, met dubb. acc.: τοῦτο παχὺ ἐὸν καταπλάσσονται πᾶν τὸ σῶμα met dit dikke spul smeren ze heel hun lichaam in Hdt. 4.75.3. 2. geneesk. een papomslag aanbrengen; pass. een papomslag aangebracht krijgen.