About Report a problem

Menu

ἀπειπεῖν

ἀπ-ειπεῖν, aor. bij praes. ἀπαγορεύω en ἀπολέγομαι; aor. 1 sing. ἀπεῖπον en ἀπεῖπα, ep. inf. ἀποειπέμεν, med. alleen ἀπειπάμην; aor. pass. ἀπερρήθην; perf. ἀπείρηκα, pass. ἀπείρημαι; fut. ἀπερῶ; vgl. ook ἀπαυδάω en ἀπόφημι
1.  verkondigen, meedelen, met acc.: τὸν μῦθον ἀπηλεγέως ἀποειπεῖν zonder omhaal die verklaring af te leggen Il. 9.309; ook abs.: πᾶσι μνηστήρεσσιν ἀπειπέμεν zich uitspreken tegenover alle vrijers Od. 1.91; berichten, rapporteren, met acc.: ὡς … ἀληθείην ἀποείποι opdat hij de ware toedracht kon rapporteren Il. 23.361.
2.  nee zeggen
a.  ontkennen, zeggen dat niet, met μή + inf.: τὸν ὑὸν … ἀπειπεῖν ὑὸν κατὰ νόμον μηκέτ’ εἶναι afkondigen dat hun zoon hun zoon niet meer is Plat. Lg. 928d; weigeren, met acc.: ἀ. βοήθειαν hulp weigeren Plut. Tim. 2.3; ook abs.: κατάνευσον ἢ ἀπόειπε stem toe of weiger Il. 1.515.
b.  verbieden, met (dat. en) μή + inf.: ἄπειπε … σφι … ὅπλα ἀρήια μὴ ἐκτῆσθαι verbied ze om oorlogstuig te bezitten Hdt. 1.155.4; ἀπεῖπεν ἐμοὶ κεῖνος μήτε πελάζειν ἐς τούσδε τόπους hij heeft me verboden naar deze streek te komen Soph. OC 1760; pass.: ἀπειρῆσθαι … οἱ ἐκ τῶν γειναμένων μηδενὶ ἐπιδεικνύναι (ze zei) dat het haar door de ouders was verboden om (het meisje) aan iemand te laten zien Hdt. 6.61.4; τὸ ἀπειρημένον het verbodene Hdt. 3.52.2; ook met dat. van pers. en acc. van zaak: τοῖς δούλοις … ἀπειρήκασι τὰ γυμνάσια ze hebben de slaven lichamelijke oefeningen verboden Aristot. Pol. 1264a21.
c.  opgeven, afzien van, afstand doen van, met acc.: ἀ. μῆνιν je wrok opgeven Il. 19.35; ἀ. τὴν στρατηγίαν afstand doen van het bevelhebberschap Xen. An. 7.1.41; med. afzweren, van zich af zetten: ἀπειπάμενος τὴν ὄψιν nadat hij het visioen van zich af had gezet Hdt. 5.56.2; pass.: αἱ (σπονδαὶ) οὐκ ἀπείρηντο de verdragen waren niet opgezegd Thuc. 5.48; verstoten: τοῦτον ἀπείπασθαι (zijn zoon) verstoten Hdt. 1.59.2; pass.: δεῖ … ἀπορρηθῆναι hij moet worden verstoten Plat. Resp. 929a.
d.  het opgeven, intrans.: οὐ γὰρ ἔσθ’ ὅπως ἀπειπεῖν ἂν δοκῶ μοι ik zie mezelf met geen mogelijkheid opgeven Aristoph. Pax 306; οὐ γὰρ … ἀπεροῦμέν γέ πω; we gaan het toch nog niet opgeven? Plat. Tht. 200d; ook met zaak als subj.: ἐξέπραξεν, οὐδ’ ἀπεῖπε … φάτις de vloek had zijn uitwerking en liet niet af Aeschl. Sept. 840; met dat. van pers. in de steek laten: οὐκ ἀπειρηκὼς φίλοις zonder mijn dierbaren in de steek te laten Eur. Med. 459; met ptc. moe worden van, het opgeven om: φέροντες οὐκ ἀπεροῦσι ze zullen er geen genoeg van krijgen om af te dragen Thuc. 1.121.5; τοῦτο δρῶν ἐξ ἑωθινοῦ καθήμενος ἀπειπών omdat hij het zat was geworden om dat vanaf de vroege morgen te zitten doen Plat. Phaedr. 228b; ἀπειρήκη τὰ ὄντα σκοπῶν ik had het opgegeven om het zijnde te onderzoeken Plat. Phaed. 99d; bezwijken onder, toegeven aan, met dat. van zaak: ἀ. ἄλγει toegeven aan verdriet Eur. Hec. 942; ἀπείρηκεν κακοῖς hij is door rampen ingestort Eur. Or. 91; met prep.: ἕως ἂν ὑπὸ πλήθους κακῶν ἀπείπωμεν totdat we bezwijken onder de druk van de ellende Xen. Hell. 6.3.15.
e.  fysiek uitgeput raken, met dat. van zaak: ταῖς ψυχαῖς νικῶντες τοῖς σώμασιν ἀπεῖπον al hadden ze geestelijk gewonnen, ze waren fysiek uitgeput Isocr. 4.92; ἀπειρηκότων … χρήμασι Φωκέων aangezien de Phociërs financieel uitgeput zijn Dem. 3.8.

Saved

Recent